Het verhaal van de witte illegaal.

November 1999. De telefoon gaat. Anita uit Den Haag aan de lijn.

“Jos, het loopt tegen Kerstmis. En ik dacht dat dat een goede aanleiding kan zijn om de aandacht te vestigen op de situatie van de witte illegalen. Zie jij kans om op heel korte termijn iets te doen met de mannen die nu in de Agneskerk zitten?”

Ik ken Anita Schwab al veel langer. Iemand die wat van de grond krijgt. Ze heeft het Moedercentrum in Den Haag opgericht en tot bloei gebracht. Later zal ze ook het succesvolle Vadercentrum Adam opzetten. Een zeer deskundige en bevlogen vrouw. Ik heb eigenlijk helemaal geen tijd. Maar tegen Anita zal ik niet zo gauw nee zeggen.

Marlies en ik sporen naar Den Haag, naar de Agneskerk. En daar schrikken we ons te pletter. We denken dat we een idee hebben hoe de onderkant van de samenleving eruit ziet. Maar de ellende die we hier aantreffen ja, het doet me denken aan de beelden van de vluchtelingen van vandaag. Mannen liggen moe en moedeloos op matrassen in een ijskoude kerk. Vriendelijke mensen helpen met soep en brood en proberen met opbeurende woorden weer licht in de ogen te krijgen van de mannen, die niet lang geleden nog in een wekenlange hongerstaking zijn gegaan.

Ze komen uit Koerdistan, Turkije, Marokko en Egypte. Ze zijn hier komen werken- maar illegaal. Dat heeft Nederland oogluikend toegestaan, want hun werk is hard nodig en er is geen Nederlander die dat nog wil doen: tomaten plukken in de kassen van het Westland.
En toch werken ze niet zwart, daarom heten ze ook witte illegalen. Ze kregen een sofinummer, kinderbijslag, een ziekteverzekering en een uitkering als ze zonder werk kwamen te zitten. Ze betaalden hun huur, hun premies en belastingen. Tot zover niets aan de hand.
Alleen… ze kregen geen permanente verblijfsvergunning.

         Ik ben hier, maar ik ben hier niet.

         Ik besta niet. 

         Ik ben niemand, ik heb geen gezicht. 

In 1998 wordt de koppelingswet ingevoerd: willen ze kunnen blijven, dan moeten ze aantonen dat ze minstens zes jaar tweehonderd dagen per jaar hebben gewerkt. Anders worden ze van semi-illegaal in één klap illegaal.
Grote paniek! Veel van hen vallen net niet binnen de strenge eisen. Er komen acties om die groep toch gelegaliseerd te krijgen. Eind 1999 hebben deze witte illegalen na hun hongerstaking in Den Haag kerkasiel gekregen. Ze wachten daar de uiteindelijke beslissing van staatssecretaris Cohen over hun verblijfsvergunning af, terwijl ze van week tot week verhuizen van kerk naar kerk.

We spreken met de mannen en raken nog meer onder de indruk. Marlies neemt wat taken in Utrecht van mij over zodat ik snel in Den Haag aan de slag kan.

In de ijskoude kerk spreek ik met acht nauwelijks Nederlands sprekende Turkse, Koerdische en Egyptische tuinbouwarbeiders. Ik interview ze één voor één, schrijf in vier dagen een sterk vertéllende tekst, trek twee professionele acteurs uit Den Haag aan, die het voor praktisch niets willen doen en begin te repeteren.

Egyptische Abdu snapt eerst niks van mijn tekst: “Het moet toch een activistisch stuk worden, propaganda? Maar dit is iets heel anders.”

Ik leg hem uit dat je daarmee het Nederlands publiek niet meekrijgt. “Ik wil jullie ervaringen en emotiesop het toneel brengen, dan kunnen ze zich inleven in wat jullie hebben meegemaakt.”

Hij laat zich overtuigen, méér doordat hij mij wel tof vindt dan door mijn betoog, denk ik.

We repeteren bijna elke dag. De winter is nat en koud, de kerk ijzig, maar de sfeer warm. Ze zijn er psychisch en fysiek slecht aan toe. Langer dan een paar minuten kunnen ze zich niet concentreren. De twee acteurs, Piet en Githa vinden het allemaal fantastisch en slepen de mannen mee. Ik overreed een van de andere illegalen die over prachtige zangtalenten beschikt, om een lied in het stuk te zingen. En daar gaan we dan!

Kerstmis halen we niet, maar op 9 januari 2000 gaat de voorstelling van drie kwartier in première.

Uit de Haagsche Courant van 10-1-2000:

De witte illegalen die gisteren het toneelstuk “Het verhaal van de witte illegaal” op de planken brachten, konden zich verheugen in enthousiaste reacties van het publiek. Door het sterk vertellende karakter, aansluitend op Oosterse verteltradities, werd de toeschouwer meegevoerd langs belangrijke en vaak dramatische momenten in de levens van de groep. Ook was er ruimte voor komische momenten. Zoals tijdens de dialoog tussen twee Koerden, waarin de een de ander probeert bij te brengen wat inburgering is.

Haci  
Wil jij echt inburgeren?

Erdal   
Echt wel!

Haci     
Goed.  We beginnen met groeten. Jij moet mij gaan groeten.
Erdal omarmt Haci en zoent hem op beide wangen onder het zeggen van Turksebegroetingsrituelen 

Haci     

Stop stop! Dat is helemaal fout. Kost veel te veel tijd. In Nederland groet je elkaar zo.

stijfjes

Goedendag!

Erdal
breed lachend Goedendag!

Haci     
Niet zo lachen!! Goedemorgen. Snel.

Erdal   
Goedemorgen.

Haci     
Goedemiddag. Sneller.

Erdal   
Goedemiddag.

Haci     
Goedenavond. Sneller sneller!

Erdal   
Goedenavond. Goedemorgen goedemiddag goedenavond voor het hele jaar en geen tijd verliezen, meneer!

Het stuk heeft waarschijnlijk een steentje bijgedragen aan het verkrijgen van de legale status van een groot deel van de groep. Een zeer rechtstreeks gevolg was de reactie van de directeur van een woningbouwvereniging die na het zien van het stuk, zorgde voor belangrijke verbeteringen in hun woonsituatie. Prachtig!

Zie voor een gedicht uit het stuk ook: het gedicht van de maand onder : gedichten en liederen op deze site.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *