“Waar ik ooit op de arm van mijn moeder….”

Dit is mijn laatste blog waarin ik beschrijf hoe ik de historische feiten heb onderzocht, die de basis vormen van mijn historische roman Duvelsprie. Jullie hebben de afgelopen weken kunnen lezen hoeveel hulp ik daarbij uit Limburg heb gekregen en met hoeveel plezier ik hieraan heb gewerkt.
Op bovenstaande foto zie je mij als tweejarig jongetje op de arm van mijn moeder op een zonnige zomerdag. Lees verder en je zult begrijpen waarom ik met deze foto dit verhaal open.

Het is januari 2017. Ik ben er langzamerhand aan toe om mijn historisch feitenonderzoek af te ronden, als er een mailtje binnenkomt van Paul Potten.

Jos, gisteren ben ik de hele dag in het archief van Sittard geweest en heb eindelijk de sterfakte van “Anna” gevonden. Ze is overleden in Sittard 30-11-1781 en begraven 2 december. Bij de begrafenismis zijn twee Dominicanen aanwezig, samen met pastor Dijsent die haar begraven heeft. Gezien deze uitvoerige omschrijving moet ze nogal wat centen hebben gehad om zich te laten begraven door drie heren in Sittard. 

Kijk eens aan, Anna. Wat ben je oud geworden! 77 jaar in die tijd en met zo’n leven! Vertel me eens: hoe ben je in Sittard terechtgekomen en waarom ben je zo eervol en rijk begraven? Jij die zo arm en beladen met schande in Schinnen aankwam op je zestiende?

Zal ik een antwoord krijgen op die vraag en de talloze andere die nog openstaan?

Eerst maar eens kijken wat ik nu zeker weet.

Andreas Kallen en Anna wonen op Krekelberg, ze hebben een huwelijk van 22 jaar. Ze krijgen nog twee kinderen, van wie de jongste Stefanus intreedt bij de orde der Dominicanen in Sittard als ‘pater Dalmatius’.

In 1758 sterft Andreas onverwacht te Heerlen.

Pastoor Hoen

Dan komt het jaar 1759. Ik  heb het al eerder verteld, maar zal het hier nog eens herhalen. Anna’s zoon, Joes, is intussen kapelaan te Hombourg en hij maakt daar in dat jaar zijn dienstmeisje zwanger. Hij is dan 40 jaar. Therese Debruyn heet het arme meisje, hoe oud ze precies is, weten we niet, misschien al in de twintig. Ze was getrouwd maar na een paar maanden gescheiden, omdat haar man Bernardus Reinich van haar wegging en dienst nam in het Pruisische leger.

Wat er precies is gebeurd, weten we niet, maar we weten toch wel veel interessante feiten. Bijvoorbeeld dat Theresia naar Schinnen komt en op Krekelberg bevalt. Ook weten we dat ze wilde dat haar kindje, Severinus, gedoopt werd. Maar dat ging zomaar niet. Pastoor Hoen, de opvolger van pastoor Petri, van goede komaf en een heel ander type dan zijn voorganger, wilde de naam van de vader weten. Maar zij durfde die niet te noemen.

Toen heeft Hoen voorgesteld dat ze bij hem in de biecht die naam zou noemen. Dan zou hij dat in een biechtgeheim opschrijven en in het register verzegeld bewaren

Zo geschiedde.

Therese noemde de naam van de vader: de eerwaarde kapelaan Joes Piron. Hoen noteerde de bekentenis, verzegelde het document en dat bleef -tot voor een paar jaar- ongeopend.

Doopbewijs Severinus Debruyn, ingeschreven door pastoor Hoen

De doop kon nu plaatsvinden. Er werd gesuggereerd dat Serfke een onwettig kind was van de vertrokken vader Bernardus Reinich. Wat we ook weten is wie er bij de doop getuigen waren.

In ieder geval niet grootmoeder Anna Raedermeckers..

Is Therese stiekem op Krekelberg bevallen? We weten dat Therese en Sevrin niet op Krekelberg zijn gaan wonen. Het arme dienstmeisje wordt met kind en al blijkbaar de deur uit gedaan (of ze gaat zelf?) en woont de rest van haar leven ergens anders in Schinnen. Merkwaardig genoeg als huisgenote of buurvrouw van Agnes Witmaeckers, de familie waar Anna in 1732 nog peettante was van Anna Witmaeckers. Zie mijn blog nr. 5:http://josbours.blogspot.nl/2018/03/5_13.html

Is Treesje Debruyn op deze manier handig weggewerkt en daarmee ook het probleem van een kapelaan die zijn ‘maad’ zwanger maakt? Daarover krijg ik geen echte duidelijkheid. Over Joes weet ik alleen dat hij in 1775 overlijdt in Hombourg op 2 juli. Blijkbaar is hij in functie gebleven als priester.

Zou iemand in Hombourg of de kerkelijke overheid iets geweten hebben van Joes’ scheve schaats? Of is dat –dankzij Anna’s manipulaties- handig opgelost? Ik kan het me niet voorstellen. In zo’n kleine gemeenschap moeten de roddels toch sneller zijn gegaan dan de zon opkomt en ondergaat? 

In 1761 woont Anna nog steeds op Krekelberg met twee van Andreas’ zonen, Carolus en Hendric en diens vrouw.

Daarna (in 1764 of 1765) is Hendric van Krekelberg weggegaan, hij was niet de oudste zoon, dus dat was vrij normaal. Hij vertrok eerst naar de molen van Kathagen bij Nuth.

De molen van Kathagen Nuth (Dank Nuth van Toen…)

Een paar jaar later gaat hij naar een grote hof in Ophoven bij Sittard. Is Anna met hém meegegaan en dus ook in Sittard gestorven en begraven? En waarom is ze dan niet op Krekelberg gebleven- denkt de romanschrijver er meteen achteraan.

De ‘Kallenhof’ in Ophoven bij Sittard

In 1761 wordt ze nog genoemd als peettante.

Dopeling Winckens, Conradus Gerardus Algemeen=ex thuijll
Geboortedatum=<=02-02-1761
Vader van de dopeling Winckens, Theodorus Algemeen=ex thuijll
Moeder van de dopeling Thevissem, Maria Algemeen=ex swier
Doopgetuige Meens, Conradus Algemeen=ex herll
Doopgetuige Rademeckers, Anna Algemeen=ex kreckelbergh

Het voorlaatste bericht over haar stamt uit 1764. Het gaat om een rechtszaak waarin “de weduwe Callen” 1/5 deel moet meebetalen aan een schuld van meer dan 1600 gulden. Dat is het gevolg van een al jaren slepende kwestie, die is ontstaan na de dood van pastoor Petri. Die was heel goed voor zijn familie en de armen, maar heeft blijkbaar daarmee ook schulden gemaakt, die nu door pastoor Hoen (daar is hij weer) worden verhaald op de erfgenamen van de pastoor.

Van wie Anna er één is.
De gedaagden eisen (in 1750) dat kapelaan Penris, die de rentes van kerk- en armenbestuur beheert, de boeken op tafel legt. Maar de kapelaan “wil als geestelijke niet verschijnen voor een schepenbank”.

In 1757 vonnist de schepenbank, dat de 5 erfgenamen (waaronder Anna en Henri Petri in Puth)

rekening doen van de kerk en armentafel voor de schepencommissie en de gerechtskosten betalen.

Maar de erfgenamen verschijnen niet.

Pas in 1764 doet de vierschaar, “in presentie van pastoor Hoen” uitspraak: het tekort wordt vastgesteld op Fl.1622.17 en Anna moet daarvan dus 1/5 deel betalen, een dik jaarsalaris.

De overlijdensakte van Anna Raedermeckers

(Dank Paul Potten…)

Dan is het 1781. Anna is maar liefst 77 jaar als ze overlijdt aan dysenterie in Sittard op 30 november. Ze wordt begraven op 2 december als ‘weduwe van Callen uit Oirsbeck’.

De begrafenismis wordt opgedragen door twee Dominicanen, samen met pastoor Dijsent. Een van die Domincanen zal waarschijnlijk haar zoon Stefanus zijn, van wie we weten dat hij in die orde is ingetreden. Ze is begraven in de kloostergang van de kerk.

Zo.

En dat is alles wat ik over het leven van Anna Raedermeckers en haar directe omgeving te weten ben gekomen. Dit zijn de belangrijkste feiten die me op mijn fascinerende zoektocht zo vaak hebben verrast. Maar er zijn ook talloze hiaten en gaten, vragen en vermoedens – en dat alles moet nu worden samengesmeed tot een verhaal. Dat verhaal zal nooit historisch 100% correct zijn, dat weet ik nu al. Ik doe moeite om me in te leven in de dorpsbewoners van de achttiende eeuw, maar het is een gotspe te denken dat ik dat kan. Ik zal er een verhaal van moeten maken dat historisch waarachtig is, maar ook inleefbaar voor een lezer van deze tijd, met dilemma’s waarin die lezer van nu zich kan inleven. En tegelijkertijd aan de essentie van de historische feiten zoveel mogelijk rechtdoen.

Er is één groot voordeel: ik werd in 1946 geboren in het dorp, waar deze geschiedenis zich heeft afgespeeld. Het is het landschap van mijn vroegste jeugd: ik ken de wegen en weggetjes, waarvan de meeste in die tijd nog onverhard waren, ik ken de boerenhoven, kastelen, kerken en kapellen. Ik heb het einde van een dorpscultuur van eeuwen nog aan den lijve meegemaakt, de boerengesprekken gehoord in mijn schoonfamilie en de Limburgse dorpshouding ten opzichte van de rest van de wereld aan den lijve gevoeld.

In dat dorp droeg mijn moeder me op de arm op een kermismiddag in 1948 in de Dorpsstraat, waar ’s morgens de processie door de straten is getrokken en alleen de priester met het Allerheiligste de zandloper mocht betreden.

Een halfwin pachter en een win/win-huwelijk op Krekelberg.

Hoe ver ben ik inmiddels met mijn onderzoek?

Even kort: in de stamboom aan moederskant (Kallen) van mijn liefie Marlies vond ik een verhaal over de 16-jarige Anna Raedermeckers, die in 1721 met haar bijna 2-jarige zoontje in Schinnen aankomt. Daar overlijdt haar zeven jaar oudere vriend.

Elf jaar later is Anna peettante van Anna Witmaeckers, de dochter van de veldwachter van Schinnen. Die laatste wordt in 1733 ontslagen en in 1743 gewurgd als bokkenrijder.

In 1736 trouwt Anna met Andreas Kallen, een halfwinpachter op de hoeve-met-aanzien Krekelberg. Andreas is dan net een half jaar weduwnaar van Catharina Schiffelers en zit nu ‘met zes kinderen op de hals’.

Ik ga nu proberen te achterhalen hoe Anna zo sterk kon stijgen op de maatschappelijke ladder in de dorpshiërarchie van Schinnen. Van een kansloze, veel te jonge alleenstaande moeder met een pasgeboren kindje, die verkeerde in een bokkenrijdersmilieu, tot boerin op een hof met aanzien, hoe heeft ze dat voor mekaar gekregen?

Intussen heeft Paul Potten ontdekt waar Anna is geboren: niet in Hombourg, zoals we tot nu toe dachten, maar in Meckenheim bij Bonn, in het Rijnland. We weten nu ook het jaar (1704) en wie haar ouders zijn.

 (Dank, Paul Potten…)

Hoe kan het dan dat zoontje Joes in Hombourg gedoopt is? En dat pastoor Petri zeker wist, dat ze in 1721 vanuit Hombourg naar Schinnen kwamen?
Geen idee.

Paul heeft ook ontdekt dat Anna’s eerste man, Jean Piron, familie had in Meckenheim.

Jos, het zou dus goed kunnen zijn dat Jean naar Meckenheim is gegaan om via familie daar aan werk te komen, dat hij daar ergens de dan 14-jarige Anna is tegengekomen en haar heeft zwanger gemaakt”, schrijft Paul.

Hoe ze dan vandaaruit in Hombourg terecht zijn gekomen, weten we dus niet.

Toevallig (ja, daar heb je dat rare toeval weer) is er rond deze tijd in Noorbeek een familiereünie van de Limburgse tak van de familie Kallen. Daar spreek ik onder andere uitvoerig met Fien Delion, geboren Kallen, die als kind is opgegroeid op de kasteelboerderij van Terborgh in Schinnen.

Daarnaast krijg ik van verschillende kanten materiaal toegestuurd. (Dank, Heiko Rauch, Emile Kallen, Wim Kallen en Fien Delion…)

Andreas blijkt even oud te zijn als Anna en van Duitse komaf. Zijn voorvaderen bewoonden in Neuss bij Düsseldorf de Kanonichenhof (Kanunniken-boerderij), die ze pachtten van een wereldlijke kloosterorde voor tugendhafte adellijke dames.

 Kanonichenhof, Neuss.

Die hof bestaat nog steeds, maar is inmiddels verbouwd. Andreas is –als enige van acht kinderen,  niet geboren in Neuss, maar (waarschijnlijk) in Metternich.

Waarom en hoe hij in Schinnen is terechtgekomen, heb ik niet kunnen achterhalen. De streek rond Neuss was destijds speelbal tussen de grootmachten, het waren onrustige tijden, misschien was dat de oorzaak? Hij was ook niet de oudste zoon, dus dat maakte de kans klein, dat hij de boerderij na de dood van vader Engelbert in 1721 zou kunnen overnemen.

In 1724, twintig jaar oud trouwt hij in Maastricht met de dan 25 jaar oude Catharina Schiffelers, dochter van de pachter op Krekelberg, die sterft in 1734. Vanaf dat moment nemen Catharina en Andreas de pacht over.

‘Het was een groot gebouw met eikenhouten getimmerd en met lemen vakwerk, geheel met stro bedekt, merkwaardig door zijn oudheid en op laatst door zijn bouwvalligheid. In 1890 werd de hof geheel in steen vernieuwd. Bij de sloop van het oude gebouw werd een ondergrondse vluchtplaats ontdekt. Vanuit een ondergronds hol met een middellijn van circa 3 meter en een hoogte van 2 meter ging een kruippijp in de richting van de achter de woning geleen waterput. (Bron: Bijdrage tot de geschiedenis van de voormalige heerlijkheid Schinnen van H. Pijls).

De welstand van een halfwinpachter is niet vanzelfsprekend. De helft van de tarwe-, gerst-, boekweit-, haver- en bonenopbrengst is voor de grondbezitter, gravin Elisabeth de Ligne ‘en die eigenaren pakken zich altijd de beste helft natuurlijk’.

De opbrengst van de vruchten, de weien, boomgaarden en beemden en het stro zijn dan wel voor de pachter, maar voor die gronden moet pacht in geld worden betaald: 30 Luikse guldens per hectare. Onderhoud aan huizing, schuur, stallingen en afrastering is ook allemaal voor rekening van de pachter.

Ze zeggen wel dat de pachtbedrijven meestal groter zijn dan de eigen bedrijven, maar de pachter heeft van wat hij overhoudt veel nodig voor het onderhoud van zijn gezin en het instandhouden van het bedrijf. En dan is er die eeuwige onzekerheid of de grondeigenaar de pacht verlengt na zo- en zoveel jaar en natuurlijk de concurrentie met andere pachters. (Dank, José Hautvast-Kaelen…)

Het is vooral het grote landoppervlak van bijna 60 hectare dat Krekelberg welvarend maakt.

Catharina en Andreas krijgen zes kinderen. In 1725 wordt hun eerste geboren, in 1735 hun zesde.

Het jaar daarop, op 29 mei 1736 sterft moeder Catharina. Ze is pas 37. Haar eigen moeder, die na het overlijden van haar man nog op Krekelberg woont, sterft tien dagen later.

Dat moet een ramp zijn geweest. Opeens zat Andreas op de grote hof Krekelberg alléén met zes kinderen. Het oudste meisje is 11 jaar, de jongste,zoon Henri, nog geen 1 jaar. Hoe vaak ben ik dat nou al tegengekomen: jong stervende ouders, die een schare kinderen achterlaten voor hun achtergebleven eega?

De positie van weduwnaars –en vooral van weduwen- was in die tijd niet sterk. En dat terwijl de dood overal rondwaarde. Neem het jaar 1747. Dan vindt op 2 juli in Lafelt vlakbij Maastricht een veldslag plaats tussen 85.000 Fransen en 150.000 geallieerden.

Dat zijn dus bij elkaar tweehonderd en dertigduizend soldaten!

Er vallen 16.000 doden.

Zestienduizend doden…

Maar de dood stelt zich ook tevreden met kleinere porties. In september en oktober van hetzelfde jaar 1747 is er een dysenteriegolf in Schinnen. Er sterven in zes weken 52 mensen, de overleden kleine kinderen niet meegeteld.

 

datum    Type Personen Feit
teksten
Scan1 Scans
Schinnen 05-10-1747 Begraven
Overledene offermans, Jacobus Algemeen=ex nagelbeck
Begraafdatum=>=05-10-1747
Doodsoorzaak=dijsenteria
Partner van de overledene Bemelmans, Maria
1747 5 8bris Jacobus Offermans maritus Maria..
…meer>>
Schinnen 05-10-1747 Begraven
Overledene Hartmans, Wilhelmus Algemeen=ex nagelbeck
Begraafdatum=>=05-10-1747
Doodsoorzaak=dijsenteria
1747 eodem Wilhelmus Hartmans coelebs ex..
…meer>>
Schinnen 05-10-1747 Begraven
Overledene Pijpers, Catharina Algemeen=ex nagelbeck
Begraafdatum=>=05-10-1747
Doodsoorzaak=dijsenteria
Partner van de overledene raemeckers, Petrus
1747 5 8bris Catrin Pijpers uxor Petri..
…meer>>
Schinnen 05-10-1747 Begraven
Overledene Smeets, Catharina Algemeen=ex puth
Begraafdatum=>=05-10-1747
Doodsoorzaak=dijsenteria
1747 eodem Catharina Smeets ex Putt.
Schinnen 05-10-1747 Begraven
Overledene Meijers, Joannes Algemeen=maritus
Begraafdatum=>=05-10-1747
Doodsoorzaak=dijsenteria
1747 eodem Joannes Meijers maritus.
Schinnen 05-10-1747 Begraven
Overledene Nijssen, Ida Algemeen=ex schweckhuijs
Begraafdatum=>=05-10-1747
Doodsoorzaak=dijsenteria
Partner van de overledene Brouns, Petrus
1747 eodem Ida Nijssen uxor Petri Brouns ex..
…meer>>

Enkele overledenen aan de dysenteriegolf in Schinnen in 1747

(Dank www.allelimburgers.nl…)

Mannen hertrouwden sneller dan vrouwen. Een belemmering voor een tweede huwelijk was de negatieve houding van de samenleving –en vooral van de kerk- ten opzichte van het hertrouwen van weduwen.

De kerk had drie rechtvaardigingsgronden voor het huwelijk.

Ten eerste moesten er tijdens het huwelijk veel kinderen voortgebracht worden.

Ten tweede konden de partners elkaar wederzijds steunen.

Ten derde diende het huwelijk voor de inperking van ‘de lusten van het vlees’.

Deze rechtvaardiging gold echter niet voor een tweede huwelijk. Enkel de wederzijdse steun was dan nog van toepassing. De kerk was dan ook geen voorstander van een tweede huwelijk, vooral niet van weduwes. Ze werden gehekeld omdat ze kennelijk hun lusten niet konden bedwingen.

Hertrouwen bij weduwnaars was meer geaccepteerd. Zij konden de zorg voor de kinderen gebruiken als reden voor een tweede huwelijk. Mannen werkten immers niet in het huishouden.

(Dank Jan van Tiggelen, http://www.tiggelen.net/nl/artikelen/artikelen/geschiedenis/families-en-huwelijken-in-de-periode-1700-1900/all-pages…)

Andreas heeft snel en praktisch gehandeld: een half jaar na het overlijden van zijn vrouw Catharina,  hertrouwt hij op 16 oktober 1736 met de weduwe Anna Raedermeckers. Zij trekt samen met haar zoon Joes, die dan 17 jaar is, in op Krekelberg.

Andreas en Anna zijn allebei 32 jaar.

Paul Potten doet een interessante suggestie:
“Zou het niet kunnen zijn dat Anna is getrouwd met Andreas, om zo voor elkaar te krijgen dat haar Joes kon gaan studeren voor priester met het geld van Andreas? In ruil daarvoor nam zij dan zijn zes kinderen onder haar hoede?”

Ja, dat zou de tweede prachtige herhaling zijn in het verhaal: eerst Anna als moeder van een onwettig kind, precies als haar schoondochter Treesje. En dan nu het geld voor de priesteropleiding, eerst die van pastoor Petri, waarvoor de familie Piron krom ligt – en nu Anna Raedermeckers met een financiële huwelijksstrategie om datzelfde doel te bereiken.

Paul doet fraaie suggesties. Daar kan ik als romanschrijver vast wel iets mee. Maar hoe zit hetfeitelijk met zijn vermoeden: dat Andreas en Anna een soort zakelijke huwelijksruil hebben gedaan: jij zorgt voor mijn zes minderjarige kinderen en ik betaal de priesterstudie van jouw zoontje?

Het is niet onmogelijk, want niet elk huwelijk was in die tijd gebaseerd op liefderijke genegenheid, maar vooral een manier om te overleven.

Er is in ieder geval één ding zeker: Andreas had het geld om gul te kunnen zijn.

Ik vind in een notarisacte:

 Op 21 augustus 1741 verkopen Adam Cremers x Maria Schoffelen hun huis, hof, mesthof en weide te Doenrade, groot 207 roeden aan Andreas Callen als weduwnaar van Cath. Schiffelers, nu gehuwd met Anna Raedemakers voor 1130 gulden, 14 stuivers. (LVO 1850 bank Oirsbeek).

(Dank http://www.heemkundelandgraaf.nl/genealogieschiffelers.pdf…)

En in 1742 voldoet Andreas een schuld van 400 gulden van Adam Cremers aan Maria Gadé.

Ik denk niet dat we hier alleen maar aan ruimhartige naastenliefde van Andreas moeten denken, maar het bewijst in ieder geval wél dat hij geld had.

Verder blijft de verhouding tussen Andreas en Anna niet alleen maar puur zakelijk: ze krijgen nog twee zonen. De eerste is Andreas in 1737.

Doopacte Andreas Kallen filius (de zoon)

 De tweede is Stefanus in 1745. Zoals ik al eerder schreef: Ernestine van de Dederenhof is peettante van Stefanus, peetoom is de zeer invloedrijke en geliefde schepen Paas Limpens. Stefanus zal later intreden in de orde van de Dominicanen als pater Dalmatius.

De conclusie kan geen andere zijn dan deze: Anna beweegt zich opeens in de hoogste kringen van Schinnen.

Maar een ‘hard’ antwoord op de vraag hoe ze dat voor elkaar heeft gekregen, krijg ik maar niet.

Dat zal waarschijnlijk helemaal aan mijn fantasie worden overgelaten. Ja, er wordt toch wel heel veel aan mijn fantasie overgelaten in dit verhaal.

Volgende week in mijn laatste blog: over Anna’s ruzie met pastoor Hoen en haar overlijden in Sittard.

‘Mordjuse hondsvotten, scheer je weg of ik schiet jullie kop eraf!’ Bokkenrijders, de schande van Limburg.

Het toeval –nee niks toeval, het mij gunstig gestemde lot- voert me rond deze tijd naar Drenthe, naar vriend Chris Giebels, die me twee delen schenkt van het boek “Bokkenrijders, de schande van Limburg”. Daarin fileert onderzoeker François van Gehuchten het beeld van de bokkenrijders, zoals dat al eeuwen bestaat in de geschiedschrijving.

Deze mannen –en een enkele vrouw- werden tot voor kort meestal beschreven als een enorme bende criminelen van misschien wel duizend man, die in Zuid Limburg, Belgisch Limburg en het Rijnland inbraken pleegde in kerken en grote boerderijen. Was het een revolutionaire anti-klerikale bevrijdingsbeweging van armen en havelozen? Een soort Freikorps? Of waren het toch gewoon gewelddadige schurken?

In de eerste helft van de achttiende eeuw is het Zuid-Limburgse platteland verarmd. Het is een onzekere tijd: de tegenstellingen tussen arm en rijk worden groter, langs de wegen zwerven haveloos geworden schareslijpers, vilders, slotenmakers, hengselmakers, hamakers, lampenmakers, spenselenkremers (marskramers), gedeserteerde soldaten en boerenknechten zonder werk.

In 1736 wordt er ingebroken in kerken. Deze heiligschennende daden schokken de bevolking. Maar ook grote boerderijen zijn het doelwit van de ‘nachtdieven’. In mijn tweede blog schreef ik over de inbraak op de boerderij van Henri Petri in Nuth. Het is wellicht handig in dit blog nog eens over die overval te lezen aangezien ik er nu een paar maal naar ga verwijzen. (http://josbours.blogspot.nl/2018/02/leienbrekers-een-adellijke-peetoom-en.html).

Ook worden er brandbrieven bezorgd waarin geld wordt geëist als de boer tenminste wil voorkomen dat zijn boerderij in de hens gaat.

Een (authentieke?) brandbrief. (Dank, Wim Giebels…)

Maar er zijn ook inbraken, die het niveau van een kruimeldiefstal niet overstijgen. Zo wordt er vier pond boter- en wat spek geklauwd bij Matthis Hautvast in Grijzegrubben, een andere voorvader van Marlies.

De hoeve van Hautvast ‘op de Sjprunk’ in Grijzegrubben

(Dank, Nuth van Toen en Stella Houtvast…)

Rond 1741 intensiveren de inbraken.

De autoriteiten gaan vanaf dat moment de ‘bende’ aanpakken. In Schinnen onder leiding van de fanatieke schout Fabritius en zijn schepenen, rijke boeren uit het dorp. Hun slaat blijkbaar de schrik om het hart: het zijn niet alleen ‘vreemden’ die rust en orde bedreigen, ook mensen uit het eigen dorp zouden wel eens kunnen behoren tot de bende. Verdachten worden gearresteerd, ondervraagd, ‘op een wrede tortuur gezet’ in de kelders van kasteel Terborgh, net zo lang tot ze alles bekennen, wat de ondervragers willen horen.

‘Wie heb je nog meer gezien? Was die-en-die er ook bij?’

 (Dank Wim Giebels…)

Dan komen er weer nieuwe namen, vinden weer nieuwe arrestaties plaats en wie gearresteerd wordt, heeft geen recht op een advocaat, ja, is eigenlijk al min of meer veroordeeld tot de galg of het wurgkoord.

Krankzinnige dingen worden bekend: dat de ‘complicen’ ’s nachts heimelijk samenkomen, God afzweren en de duivel toe, dat vrouwen (!) op een monstrans pissen, dat er toverdrankjes worden verstrekt en dan zorgt de duivel ervoor dat je onder de tortuur geen pijn lijdt. Ja, zelfs dat de duivel persoonlijk aanwezig is in de vorm van een bok, die met de rovers op zijn rug door het land van Overmaas razendsnel door de lucht van de ene inbraak naar de andere vliegt. Vandaar dus de naam bokkenrijders, die overigens pas veel later ontstond.

De schout en schepenen zijn zelf zeer gelovige katholieken, die een concrete voorstelling hebben van ‘het kwaad’. Niet als een geabstraheerd iets dat in ieder mens rondspookt. Nee. Zij geloven echt dat je in een veld tussen Puth en Wolfhagen de duivel in eigen persoon kan tegenkomen.

Dit is het beeld van de ‘bokkenrijders’ zoals dat zich eeuwenlang zal vastzetten in het Limburgse bewustzijn. 

Een bokkenrijdersvergadering zoals afgebeeld in de fluwelen grot te Valkenburg

(Dank Wim Giebels…)

Meer dan vijfhonderd mensen worden opgehangen, gewurgd en/of verbrand. ‘Als gevolg van fakeverhalen’, stelt François van Gehuchten, verhalen die dus ook toen bepaald niet door de overheid krachtig werden tegengesproken.

Hij gaat in zijn boek op zoek naar de feiten. Hij laat volksverhalen, sagen en fictieve literatuur weg en richt zich uitsluitend op de eigentijdse bronnen, de nog massaal aanwezige processtukken en correspondentie.

Daaruit komt een heel ander beeld tevoorschijn, stelt hij. Er wáren helemaal geen bokkenrijders, er wás geen ‘bende’. Er waren natuurlijk inbraken, maar er was vooral een overheid in paniek die genadeloos handhaafde: de landadel, de Kerk en de rijke boeren (schepenen) die, leunend op een Oostenrijks recht uit de tijd van Filips II (1570) in dubieuze processen en met een zeer subjectieve, onvolledige dus onbetrouwbare weergave van de feiten, van een aantal inbrekers in kerken en (rijke) boerenhoven een grote antiklerikale en maatschappij-ontwrichtende bende maakten. Ik vat het nu even kort en grof samen.
Ik lees dit boek in één spreekwoordelijke adem uit.

Kijk, dat werpt een heel ander licht op deze geschiedenis. Hier is geen sprake van een onpartijdige rechtsgang. Mensen aan wie de autoriteiten een hekel hebben, kunnen op deze manier makkelijk worden beschuldigd en uit de weg geruimd.

In het dorp houdt iedereen de adem in: in principe kan nu iedereen worden beschuldigd door de degenen die op tortuur worden gezet. Zelfs boeren met geld, want schout en schepenen hebben rechtstreeks financieel voordeel van de bezittingenverkoop der veroordeelden. Uit de kelders van Terborgh lekken geruchten naar buiten. Mensen vragen elkaar angstig ‘wie er nou weer zijn genoemd’. Want wee degene die ooit eens ruzie heeft gehad met een van hen, die nu op hun ellendige lot wachten in het kasteel.

Maar er is nog iets interessants: ik lees op pagina 189 dat Henri Petri te Puth, die zoals ik in mijn tweede blog vertelde, zélf in 1750 slachtoffer van een beruchte bokkenrijdersoverval, niet op goede voet stond met de autoriteiten van Schinnen. Want: in 1746 heeft hij, volgens de veldwachter van Schinnen, Thewis Claessen “de gehele justitie uitgekreten voor schelmen”.

Het woord schelmen betekende in die tijd nog: boeven. Een ernstige belediging dus.

Grappig! Ik had me van Henri al een beeld gevormd van een ondernemende, energieke, maar driftige man. Puur intuïtief. Dit sluit daar naadloos op aan.

In een ander boek over de Bokkenrijders (Anton Blok, de Bokkenrijders) lees ik, dat de overval op Henri in de nacht van 4 op 5 maart 1750 ook wel eens wraak zou kunnen zijn geweest. Henri had een slechte relatie met zijn buurman, Hamers. Diens broer werd door Henri beschuldigd een van de overvallers te zijn geweest. Vandaar wellicht de zin: ‘Noe zulle veer dich höbbe!”. (Zo, nou nemen we jóu te grazen)?

Ik vraag François van Gehuchten om meer achtergrond bij deze verhalen. Hij verwijst me door naar Frits Schoonbrood, ‘het levende geheugen van Schinnen’.

Bij Frits staan de waffele al op tafel als we binnenkomen. Hij is het in grote lijnen eens met de strekking van het boek van François. Er is veel meer aan de hand geweest, dan het traditionele beeld ons wil doen geloven: dat van het gevecht tussen een vaderlijke, vrome overheid en genadeloze criminelen, die het gemunt hadden op de Kerk en de onwrikbare maatschappelijke verhoudingen.

Frits vertelt dat uit de akten blijkt, dat er in het dorp ook spanningen waren tussen ‘justitie’ (schout en schepenen) en een aantal bewoners. In de chaotisch geordende aktes, die hij met eindeloos geduld probeert te ordenen, te beschrijven en wetenschappelijk te interpreteren, komt menigmaal een beeld naar voren, waarin sprake is van duidelijk verzet tegen de justitie. Een aantal families gebruikte zelfs geweld of dreigde daarmee. Hij laat ons dit voorbeeld lezen van een arrestatiepoging:

… en is geloopen naer het huijs van desselffs broeder Matthis, alwaer komende was de poorte gesloten, waer op hij klopde, alswanneer hij Matthis hoorde roepen: ‘ick doen niemandt open’.  Ende verder met dese woorden: ‘Hei morjus hondtsfutter, scheirt uch hier van het huijs ewegh off ich schiet euch alte mael voor den kop’.

Een mentale vooraankondiging van de revoluties, die aan het einde van de 18e eeuw in Europa plaatsvonden (de Brabantse, Luikse en uiteindelijk Franse Revolutie), volgens Frits.

Later stuurt hij me het originele document, waarin Thewis Claessen, de veldwachter, zich beklaagt over Henri Petri, die hem met de sjmik (hondenzweep) van het erf joeg en justitie uitmaakte voor boeven.

soo ist den selven ondergeschreven in sijne gedaene exploiten geturbeert door Hendrick Petri als voormunder der voors: weeskinderen, signantelijck, dat hij om te voltrecken sijn officieniet alleen is geslaegen met de smicken, maer bovendien de geheele justitie door voors: Petri is uijtgekreten worden voor schelmen verclaerende sulex onder mijnen Eede hier vorens gestipuleert te sijn vervaeren sulexs ter presentie van Joes Schuttiens, welcken altoost in cas van noode noijt met gewissen waerheijt sal derven ontkennen

Aldus verclaert ende geattesteert den 27 janrij: 1745 Thewis Claessen

Frits blijft me later interessante aktes sturen. Bijvoorbeeld van Marieke Schutgens (de vrouw van Henri Petri). Zij is op de vuist gegaan met een andere vrouw uit Puth. Verder zijn er opvallende tegenstrijdigheden in de getuigenverklaringen van Henri en Marieke over de overval van 1750.

Zozo.

De zwager van Anna was dus zelf ook bepaald niet een voorbeeld van ‘slim’ en ‘doordacht’ problemen oplossen. Zou hij het daarom met haar zo goed hebben kunnen vinden, dat hij Anna vroeg peettante te worden van zijn dochtertje?

Tot slot van onze interessante bijeenkomst, zet  Frits me letterlijk de duimschroeven op, kopieën van het originele marteltuig, waarmee de machthebbers op Terborgh aan de gang gingen om bekentenissen te krijgen. Het kost me geen enkele moeite me de radeloze machteloosheid van de gearresteerden in die donkere kille vochtige kelders voor te stellen.

Kasteel Terborgh. Rechtsonder, vlak boven het gras, de gevangenissen.

Maar nu terug naar mijn oorspronkelijke vraag: wat betekenen deze nieuwe inzichten voor de positie van veldwachter Witmaeckers, van wiens dochtertje Anna peettante was? In de processtukken lees ik dat de veldwachter onder pijn of dreiging met pijn talloze ‘bekentenissen’ heeft afgelegd. Hij noemt veel namen van medeplichtigen, onder andere die van zijn oudere broer Rijk en die van Jan Sijben, de soldaat-echtgenoot van Agnes. Hij vertelt dat de buit zelden meer bedraagt dan een paar stuivers of een halve ‘patacon’. (Een patagon had de waarde van 48 stuivers). En… bij zo ongeveer alle inbraken heeft hij alleen maar op wacht gestaan.

In het boek van François van Gehuchten wordt beklemtoond dat veel beschuldigden bekenden, dat ze op wacht hadden gestaan. Ze konden zodoende nauwelijks iets vertellen over wat er ‘daarbinnen’ gebeurd was. Hielden ze zich onnozel? Of konden ze écht niks vertellen, gewoon omdat ze er niet bij waren geweest?

Hoe het ook zij: feit is dat Anna een tijdlang in een milieu heeft verkeerd dat door de maatschappij werd veracht en vervolgd, soms tot een gruwelijke dood erop volgde.

Mijn verbazing neemt daarmee alleen maar toe: hoe heeft ze het dan voor elkaar gekregen, dat haar zoon Joes priester kon worden en zijzelf de echtgenote van Andreas Kallen, een boer met aanzien op de hof Krekelberg?

Daarvoor ga ik volgende week op zoek naar de geschiedenis van Andreas Kallen, haar tweede man.

Een armenjager ontslagen, gewurgd en verbrand op de Danikerberg.

“Moet je nou toch horen wat ik heb ontdekt!”

Marlies kijkt op van haar werk. Ze weet hoe laat het is: als ik naar beneden kom gestommeld met zo’n opgewonden tred, dan is er iets ingrijpends gebeurd, daarboven in mijn werkkamer.

“Ik heb heel toevallig gevonden, dat ‘onze’ Anna Raedermeckers in 1732 peettante was van de dochter van een bokkenrijder. Hier, moet je kijken.”

Type Doop
Bron Schinnen, Dionysius: DHO register 1715 – 1736
Feit datum 11-04-1732
Plaatsnaam Schinnen
Geneatomen
Dopeling Witmaeckers, Anna Geboortedatum=<=11-04-1732
Vader van de dopeling Witmaeckers, Henricus
Moeder van de dopeling Mengelers, Mechtildis
Doopgetuige Mengelers, Theodorus
Doopgetuige Raedermeckers, Anna
Vervangende doopgetuige de Macker, Wilhelmus
Byzonderheden
Transcriptie 1732 Eodem Anna Witmaeckers filia Henrici Witmaeckers et Mechtildis Mengelers conjugum. Est baptizata. Suscipientibus Wilhelmo de Macker loco Theodori Mengelers et Anna Raedermeckers.

(Dank www.allelimburgers.nl...)

De pastoor heeft eronder geschreven: Anna Witmaeckers, dochter van het echtpaar Hendric Witmaeckers en Mechtild Mengelers. Doopgetuigen zijn Willem de Macker (dat was de koster) en Anna Raedermekers. 
Toen ben ik gaan zoeken wie Hendric Witmaeckers is. Die was veldbode in Schinnen, zeg maar: de veldwachter. Hij woonde achter de kerk, tegenover de uitgang van waar nu het kerkhof is, naast de gemeintegats. Die bestaat niet meer. Zijn huis ook niet. Dat is afgebroken en er mocht 100 jaar niet meer worden gebouwd. Weet je waarom? Hendric was bokkenrijder. Ze hebben hem op 22 oktober 1743 aangehouden en op 17 december van datzelfde jaar gewurgd op de Danikerberg.”

O ja. Dat bordje weer dat bij de uitgang van de begraafplaats staat, opeens herinneren we het ons weer.

Bokkenrijders vormden –zo gaat althans het verhaal-  een bende van honderden misdadigers, die ’s nachts inbraken in kerken en grote boerderijen. Dat gebeurde met veel geweld en manschappen, soms met dertig of veertig man. Althans- dat vertelden de gearresteerden onder (bedreiging van) tortuur. In bijna duizend processen zijn honderden mannen en een enkele vrouw veroordeeld en opgehangen of gewurgd.

Anna peettante bij een bokkenrijder? Wat zit hier voor verhaal achter? Verkeert ze op zo’n goede voet met een familie, waarvan de man eerst een (bescheiden) overheidsfunctie bekleedt en later wordt gewurgd als misdadiger? Waarom trouwens? Wegens corruptie misschien? En had ze meer van dit soort dubieuze contacten?

Hoog tijd om samen de historische feiten op een rijtje te zetten en te filosoferen wat er mogelijk allemaal is gebeurd.

Ja. Wat weten we eigenlijk van Anna?

Ze is een piepjonge moeder van 16 als ze in 1721 in Schinnen aankomt met haar vriend Jean en haar bijna tweejarige zoontje.

We weten niets van het hoe en waarom van haar ‘voortijdige’ zwangerschap. Heeft ze zich met haar veertien jaar laten ‘opknappen’ door de acht jaar oudere Jean? Was het een ongelukje? Het gevolg van roekeloze wildheid? Wilde ze weg van thuis?
Of was het ‘echte liefde’?

Dan sterft Jean op de dag van aankomst. Ze staat er opeens alléén voor met haar kleine Joes.

Tussen 1721 en 1732 weten we niets van haar. Wat heeft ze gedaan die jaren? In die tijd was haar positie in een klein katholiek dorp tamelijk kansloos. Meisjes als Anna wachtten armoe en ellende, daarvan getuigen talloze documenten uit die tijd. Hoeveel arme meisjes en dienstmeisjes hebben –tot in de twintigste eeuw – in hun wanhoop niet geprobeerd om hun onwettige kindjes te verdrinken? Waarvoor ze dan ook nog eens genadeloos werden gestraft.

(Dank, Historica, oktober 1999…)

Is het dan vreemd om te bedenken dat ze in die situatie in contact is gekomen met arme, criminele milieus?

Goed. In 1732 is ze dus peettante bij de veldwachter, die straks beschuldigd gaat worden van ernstige dingen. Hoe zal daarop gereageerd zijn in de familie Piron/Petri? Dat wil zeggen door heeroom, pastoor Petri en Henri Petri, de enige van de vier kinderen die nog leeft?

Maar wacht eens even… Henri Petri… Ik had toch ontdekt dat Anna peettante was bij een van zijn kinderen? Ik zoek het weer op. Verdomd ja, twee jaar later, in 1734.

En weer twee jaar later, in 1736, trouwt ze met Andreas Kallen en woont ze ‘op stand’ op Krekelberg.

Mm. Dat klinkt dan weer niet als een maatschappelijke outcast, die door iedereen –en vooral de familie- wordt gemeden vanwege haar slechte naam. Maar ja, in 1732, in 1734 en 1736 wist waarschijnlijk niemand in Schinnen nog van de nachtelijke criminele feiten van de toenmalige veldwachter Witmaeckers. Die werd pas in 1743 beschuldigd en geëxecuteerd.

Wat een mooie raadsels allemaal!

Die veldwachter en zijn familie, daar wil ik wel eens meer over weten. Wie is Hendric Witmaeckers? Zijn vader komt oorspronkelijk uit Sittard- hij is gevlucht. Van Sittard naar Schinnen.

Dan moet ik nu eerst even kort iets uitleggen over de politieke situatie in Limburg in die tijd. Limburg bestond destijds helemaal niet als een politieke eenheid. Het heette: het land van Overmaas en tragisch genoeg was Overmaas militair erg belangrijk en zeer in trek als winterkwartier, rekruteringsgebied en slagveld. Voortdurend had het vruchtbare (löss)gebied te lijden van plunderingen en ander oorlogsgeweld, vooral tussen Frankrijk, Spanje en de Republiek der zeven Provinciën, zeg maar de ‘Staten van Holland’. Die wilden hier allemaal de baas spelen.

In 1713 was de situatie zo:

Alles wat op het kaartje hierboven oranje is gekleurd, was in 1713 Oostenrijks geworden. Ja, het ziet er heel vreemd uit als je met de ogen van nu kijkt, maar Schinnen, Schimmert, Nuth, Oirsbeek en omringende dorpjes waren Oostenrijks- en katholiek.

Maar geel gekleurde plaatsen als Beek, Ulestraten en Heerlen waren  Staats, hoorden bij Holland en waren officieel Calvinistisch, terwijl de meerderheid van de bevolking katholiek was.

Sittard hoorde dan weer bij Gulik. Dus de hertog van Gulik, die de baas was in Sittard, had niks te zeggen in Schinnen, want daar was de keizer van Oostenrijk de baas.

Daarom was de familie Witmaeckers in Schinnen veilig. De reden waarom ze moesten vluchten, kan ik jammer genoeg niet achterhalen.

Hendric Witmaeckers is veldwachter. Wat zijn z’n taken?

Hij moet in de handen van de schout zweren, dat hij de bossen en velden van het dorp zal bewaken, dat hij zal optreden als armenjager, bedelaars gaat weren en de schout assisteren, indien dat nodig is. Tevens let hij op inbraak en dieverijen. Hij zweert dat hij zich niet door giften en gaven van iemand zal laten verleiden en de schout en schepenen gehoorzaam zal zijn in alles en een vrome en getrouwe veldschut, die handelt naar de Christelijke katholieke religie, ‘zo helpe mij God en al zijn lieve heiligen’.

Het grootste deel van zijn boetes zijn voor de overheid. Maar hij mag voor een paard of een koe, die op verboden land wordt aangetroffen vijf stuivers rekenen en zelf in zijn zak steken. Voor een schaap of een varken 1 stuiver. En voor iedere opgebrachte veldrover: vier stuivers. Dat is zijn loon. Niet echt een baan waar je rijk van wordt, maar het geeft wel enig aanzien.

Maakt zo’n beroep je populair bij de inwoners van Schinnen, vraag ik me af?

Het huis van de veldwachter Witmaeckers stond aan de linkerkant in de bocht

                                                       (Dank ‘du bess van Sjenne, es… Facebookgroep)

Hij trouwt in 1717 met Mechtild Mengelers, ‘alijs multis’, onder grote belangstelling, noteert pastoor Petri.

In 1733 wordt hij ontslagen als veldwachter. Eén jaar nadat Anna’s petekind Anna Witmaeckers is geboren dus. Nergens kom ik te weten, waarom dat ontslag plaatsvond. Was hij ergens op betrapt? Corrupt? Of was hij met 46 jaar te oud voor dit beroep, dat menigmaal krachtig lichamelijk optreden verlangde? (Dank, François van Gehuchten…)

Uit de bronnen krijg ik het beeld van een tamelijk rauwe familie. Lees maar even mee.

De veldwachter heeft een oudere broer, Rijk, en een zus Agnes.

Rijk, die in het gehuchtje Hegge woont, krijgt een maand na zijn huwelijk al zijn eerste kind. Dat was op zich niet zo uitzonderlijk, maar hij is vooral iemand die met Jan en alleman ruzie maakt. Hij vreigelt zich met zijn zwager eindeloos over wie een paar kleren, wie ‘de rietstok met de snaphaan’ (de meetstok met de vuursteenmusket) van zijn overleden schoonvader krijgt en wie diens vrouw nu moet onderhouden Pastoor Petri maakt in 1722 persoonlijk een einde aan de ruzies.

Armoedzaaiers dus, die niet de ‘sociale vaardigheden’ hebben om op een ‘slimme’ manier hun armzalige belangen veilig te stellen.

Zus Agnes heeft drie kinderen, alle drie in fornicatione geboren, onwettig dus. De eerste twee sterven direct na de geboorte. Een derde, Joannes (Joes), geboren in 1732, blijft in leven. Filius naturalis Joannis Sijben nunc militantis sub statibus Hollandiae et Agnetis Wijtmackers. N.B. Nunc esse 3tiam prolem naturalem praedictorum. ‘Pas op’, schrijft pastoor Petri verontwaardigd, ‘dat is nu al het derde onwettige kind van die twee.’

Dopeling Wijtmackers, Joannes Algemeen=in fornicatione
Geboortedatum=<=28-06-1732
Vader van de dopeling sijben, Joannes
Moeder van de dopeling Wijtmackers, Agnetis
Doopgetuige Corvers, Christina
Doopgetuige Wijtmackers, richardus

De vader van de kinderen is Jan Sijben, een soldaat in dienst van het calvinistische Staats Holland. Jan lijkt me niet echt een man van principes. Hij neemt zijn vaderlijke plichten niet serieus. Hij laat zich thuis zelden zien. Ik vind in de bronnen dat ook hij later wordt veroordeeld als bokkenrijder Witsjanneke. Bij de doop- en trouwgetuigen bij de familie Witmaeckers lees ik wel meer namen van later veroordeelde bokkenrijders.

Uiteindelijk trouwt zus Agnes met Bavo Slangen, maar of dit huwelijk nou zo harmonieus is? Lees wat er op 29 september 1747 gebeurt:

Een vrouw, Elizabeth Diederen, loopt ’s avonds langs het huis van Agnes en Bavo en hoort uit de verte al een groot getier in huize Slangen. Ze is daarnaartoe gegaan, de deur vliegt open, daar staat Agnes met bebloed hoofd. Ze durft niet meer terug naar binnen. De vrouw gaat dan het huis in en probeert de man ‘tot raison’ te brengen, “siende dat hij met groote ijver een broot van de taefel ter aerde smete ende alsdoens eene pistole gegrepen ende daer mede sijne vrouwe immer slaegen toegebroght, daeronder scheldende en roepende: carnalie, hoer etc’.

De vrouw kan het niet aan en loopt weg, Agnes komt brullend en smekend achter haar aan, maar Slangen krijgt Agnes weer te pakken en blijft haar slaan, tot ze uiteindelijk bebloed in een karrespoor blijft liggen. Bavo Slangen gaat terug in huis en begint daar met een bijl de boel kort en klein te slaan.

Fragment van het originele document

(Dank, Frits Schoonbrood…)

En dit is niet de enige getuigenis van Agnes wilde leven. Een pittige familie, waar het zelden rustig was. Zo lijkt het tenminste.

Dan komt het jaar 1743. Een rampjaar voor de familie Witmaeckers.

Op 1 november overlijdt de vrouw van veldwachter Henric, Mechtild.

Op 10 november, negen dagen later sterft zijn broer Rijk thuis in Hegge aan TBC. Die dood redt hem van de galg.

En op 17 december wordt Henric op de Danikerberg aan een paal gewurgd en daarna verbrand. Verder wordt zijn huis afgebroken en er mag 100 jaar niet meer op die plaats gebouwd worden.

Jan Sijben, de soldaat van Agnes, Witsjanneke is er op tijd tussenuit geknepen en niemand heeft ooit meer van hem gehoord

Danikerberg, aan de rand van Schinnen, waar het galgenveld was

Op dat moment is Anna’s petekind, Anna Wittmaeckers, dus wees, dakloos en 11 jaar.

Wat heeft Anna gedaan voor haar petekind?

Peettante had in die tijd nog een inhoudelijke betekenis. Bijvoorbeeld ‘toe te zien op een goede katholieke opvoeding’. Maar ook een bijzondere zorg en aandacht te besteden aan het kindwanneer het beide ouders zou verliezen.

Peettante Anna woont op dat moment, in 1743, al op Krekelberg met zes kinderen uit het vorige huwelijk van haar man Andreas Kallen en één kind van Andreas en haarzelf.

Heeft ze haar petekind opgenomen?

Ik vind daarvoor geen bewijs. Ik zie wél dat haar petekind in 1761 te Sweikhuizen woont, naast of bij Frans Witmaeckers, een zoon van Rijk.

Wat zou er zijn gebeurd? Heeft Andreas niet gewild dat de dochter van een bokkenrijder op Krekelberg zou komen te wonen? Of heeft Anna zelf haar petekind afgescheept, net als ze later zal doen met Treesje en haar kindje Serfke in 1759? (Anna’s priesterzoon Joes maakte zijn dienstmeid Treesje Debruijn zwanger, maar Anna nam haar en haar kleinzoon na de bevalling niet op in haar hof op Krekelberg. Zie mijn eerste blog van 14 februari).

Ja Anna, jij duvelsprie, heb je inderdaad alleen aan jezelf gedacht op dat moment- en dat na alles wat je zélf hebt meegemaakt? Was je bang? Of heb je vooral aan je goede naam gedacht nu je daar op Krekelberg een mooie gerespecteerde positie had? Wilde je al die dubieuze contacten uit het verleden snel achter je laten, want: wat zouwe de luuj zeggen?
Of kón je gewoon niet anders?

En dan ben ik nog niet klaar met mijn ontdekkingen. Want als een soort bijvangst lees ik, dat Treesje Debruyn en haar ‘onwettige’ zoon Serfke in 1761 wonen naast (of misschien wel bij) … Agnes Witmaeckers. Die is dan 61 jaar en woont daar in bij haar dan 29 jaar oude zoon, diens vrouw en twee kinderen van vijf en twee jaar.

138    Agnes Witmaeckers                weduwe Slangen; moeder volgende; * 1700 / + 1770

139    Joes Sijben                                onwettige zoonvan  vorige; X volgende 1755;

140    Sophia Cordeweners                 X vorige; * 1724 / + 1803

141    Maria Agnes Sijben                   5 jaar        * 1756

142    Joes Nicolaus Sijben                 2  jaar       * 1759

143    Theresia Debruyn                   was gehuwd met Bernardus Reinich

144    Severinus N.                              2 jaar        * 1759; onwettige zoon.v. vorige

Ik geloof mijn ogen niet.

Therese Debruiyn en Agnes Witmaeckers, die naast of mét elkaar wonen? Wie is de schakel tussen die twee? Dat kán toch niemand anders zijn dan ‘onze’Anna Raedermeckers? Wat voor rol heeft ze daarbij gespeeld?

Ik heb hier al een paar keer beweerd dat toeval niet bestaat. En ook dit raadselachtige cadeautje beschouw ik als een voorteken. De geschiedenis wil me iets vertellen. Iets dat een romanschrijver niet zo gauw zelf zal verzinnen.

Aan de ene kant maakt Anna carrière, het gaat haar goed, ze is boerin op een succesvolle hof, maar blijkbaar heeft ze ook nog contacten met de –door de gemeenschap- veroordeelde familie Witmaeckers. Wat voor contacten waren dat dan?
Veel raadsels blijven dus onopgelost. Maar Anna ontwikkelt zich steeds meer tot een echte romanfiguur, vol dilemma’s en tegenstrijdigheden. En het gaat nog gecompliceerder worden. Want die bokkenrijders… wáren dat nou echt zulke criminelen, die niets anders verdienden dan de doodstraf? Of is dat een schandelijke vertekening van de toenmalige Zuid Limburgse werkelijkheid? Daarover volgende keer meer.

Een ondankbaar nest op de Dederenhof?

Tot hoever was ik ook alweer gekomen met mijn gewroet in Schinnens achttiende eeuw?

Anne Piron woont op de Dederenhof in Wolfhagen en is daar in 1720 getrouwd met de gefortuneerde eigenaar, Joean Dederen. Waarschijnlijk woont haar jongere zus Lisa daar ook.

Haar oudste broer Jean is in 1721 overleden, vlak nadat hij met zijn piepjonge vrouw Anna Raedermeckers en zoontje Joes in Schinnen is aangekomen. Hij werd –merkwaardig genoeg- begraven in de kerk.

Jongste broer Henri Piron/Petri boert in het gehucht Puth.

Zo.

Nu zijn ze dan alle vier in Schinnen, ver van huis. Hoe zou dat hebben gevoeld? Kan ik daar iets over te weten komen? Dan zou ik in de bronnen gegevens moeten vinden over hun karakters.Dat is niet zo makkelijk. Karakterbeschrijvingen over mensen in die tijd vind je alleen als het om hooggeplaatste geestelijken of ander belangrijk volk gaat.

Maar misschien kan ik indirect iets te weten komen?

Soms is het hard werken als je materiaal zoekt en onderzoekt voor een roman. Dan geeft niets zich zomaar prijs, het materiaal is onwillig en stug als wilgenhout. Maar soms werpt de geschiedenis je zomaar het ene cadeautje na het andere in de schoot.

Eerst ga ik zoeken naar de kinderen van Anne Piron en Joean Dederen. Die twee trouwen in Maastricht op 18 juni 1720. Anne is dan 29. Een van de getuigen is Annes jongere zus Lisa. Ik schreef al eerder dat heeroom (pastoor Petri)- enigszins tot mijn verbazing- niet de voltrekker is van haar huwelijk. Maar nu blijkt dat hij ook geen een van haar drie kinderen heeft gedoopt.

Wat een ondankbaar nest, die Anne!

En dat terwijl de pastoor niet alleen haar peetvader is, maar hij heeft haar verdorie waarschijnlijk ook naar de Dederenhof bemiddeld!

Wat ben jij voor vrouw, Anne Piron?

Keurig netjes, tien maanden later, in april 1721 krijgen Anne en Joean hun eerste kind,Joannes. Hij wordt gedoopt door een Karmeliet. “Ik, Joannes Petri, pastoor, ben peetoom”,schrijft de pastoor in het doopregister. Klinkt dat trots of beteuterd? Wat is er door het hoofd gegaan van de goede man, die bekend stond om zijn bescheiden zachtmoedigheid en  grote hart voor de armen en de familie?

23 Oktober van datzelfde jaar 1721: Jean Piron en Anna Raedermeckers komen in Schinnen aan met hun zoontje Joes. Jean sterft diezelfde dag.

28 Oktobervijf dagen later: de schoonvader van Anne, Joannes Diederen uit Sweikhuizen, sterft.

1723: Anne krijgt haar tweede kind: Anna Elizabeth. Peettante is Annes zus, Lisa.

Aha. Die twee zussen kunnen dus blijkbaar goed met elkaar opschieten. Eerst mocht Lisa trouwgetuige zijn bij Annes huwelijk en nu dus peetteante.

Maar heeft Lisa wel een beetje kunnen genieten van haar leven? Ze overlijdt jong en ongehuwd, op 3 november 1723. “Mijn nicht”, noteert pastoor Petri, “stierf om 3 uur ’s middags”.

7 januari 1725, twee jaar later wordt Annes derde kindje geboren, Ernestine. En kijk: de peettante is weer niet de minste, Maria Ernestina de Schellardt, nicht en latere opvolgster van heer Walram op kasteel Terborgh. Het meisje wordt naar haar genoemd.

Dan word ik verrast door de snelle dood van Anne, één jaar later in 1726. Ze is 37 jaar oud.

Nu zijn dus binnen vijf jaar drie kinderen Piron/Petri  overleden. Alleen Henri leeft nog. Hoe is dat allemaal bij dit jongste broertje aangekomen? Hieronder de overlijdensakte van Anne (Anna) Piron, ‘echtgenote van Joannis Diederen, boer te Wolfhagen. (Dank, Paul Potten…)

‘Mijn nicht’,  schrijft pastoor Petri erboven. Hij vermeldt zijn familierelatie zowel bij het overlijden van Jean, van Lisa en nu dus ook bij Anne. Alsof hij wil zeggen: ‘Laat dit niet onopgemerkt blijven!’

18 November 1726, negentien dagen later.  Annes schoonmoeder overlijdt : Joanna (Jenne) Limpens uit ‘Schweikhuizen’, zoals pastoor Petri schrijft.

Er zijn een paar dingen die me opvallen: dat de kinderen Piron jong overlijden, maar dat was toen echt niet uitzonderlijk. Een beetje ‘typisch’ is het, dat vlak na de dood van Jean in 1721 (het is maar een paar dagen later) Annes schoonvader overlijdt. Iets vergelijkbaars gebeurt als Anne Piron overlijdt en twee weken daarna haar schoonvader.

Is daar soms een verband? Denkt een romanschrijver dan. Of was een ‘ordinaire’ besmettelijke ziekte de overlijdens-oorzaak?

Verder valt me op dat Anna Raedermeckers nergens genoemd wordt als peettante in Wolfhagen. Maar dat is ze wél bij de broer van Jean, Henri in Puth: in 1734 staat  ze vermeld als peettante van Henri’s dochter Anna.

Zou het zo kunnen zijn dat de verhouding van Anna Raedermeckers met ‘Wolfhagen’ helemaal niet zo hartelijk was en die met ‘Puth’ wél? Ja, ik ga nu interpreteren, ik weet het, de feiten staan er, maar ze zijn kaal en bladloos als bomen in de winter- en niemand kan het weelderige bladerdek nog vermoeden, dat gaat komen.

Binnenplaats Wolfhagen in vroeger tijden

Nu laat ik de feiten en mijn fantasie elkaar bevruchten.

Stel dat het zo gegaan is:

Anne Piron heeft zich opgewerkt van arme boerenmeid tot boerin met aanzien op de Dederenhof. En dan komt daar opeens Anna Raedermeckers naar Schinnen, die saloppe, die Schlampe, die slet die Annes jongere broertje Jean met een “jong” heeft opgezadeld.

Die twee zijn hier op een bezemsteel geland. Ze hadden niks, alleen maar luizen’.

Zo luidt een beeldend Limburgs spreekwoord. Een armzalig, immoreel gezin waarvoor Anne Dederen – Piron zich misschien wel kapot schaamt.

In Annes kop gaat het spoken: wat komen die twee hier doen met dat onwettige kind? Een beroep doen op haar familie-verantwoordelijkheid? Net nu Anne de zaakjes in Wolfhagen zo goed voor mekaar heeft? Goede relaties met de adellijke Schellarts en met de rijke boeren, die als schepen bij haar over de vloer komen, wat zullen die en de andere luuj wel denken over dat schandelijke paar?

Voeg dat bij mijn gevoel dat Anne zich nogal ondankbaar heeft betoond ten opzichte van heeroom… tja. Anne zou best een statusgevoelige oudste zus kunnen zijn geweest. Die heeft dat arme gezinnetje uit Hombourg misschien helemaal niet graag naar Schinnen zien komen.

Mmm.

De romanschrijver in me begint zich nu iets te nadrukkelijker te roeren. Ik dwing hem tot geduld. Want voor evenveel geld sla ik de plank helemaal mis.

Terug naar de feiten dus. Het is 1726. Anne is dood, haar broer Jean is dood, zus Lisa is dood, Joeans vader en moeder zijn dood. Die arme Joean staat er alléén voor met drie kinderen in Wolfhagen.

Hoe heeft hij dat opgelost?

Heeft hij zijn schoonzus Anna Raedermeckers gevraagd op de hof te komen helpen? Dat lijkt –gezien het voorgaande- niet zo voor de hand te liggen.

Eens kijken wat er van de drie kinderen van Anne en Joean is geworden. Misschien valt daaruit iets af te leiden.

De oudste zoon, Joannes, is met de noorderzon vertrokken, niemand weet waarheen. Misschien wel mee met een legereenheid? Keus genoeg in die tijd.

De oudste dochter Elizabeth trouwt in 1742 met Joannes Gielen, de zoon van Adam Gielen.

Stammenhof Sweikhuizen

Vader Adam heeft groot aanzien in Schinnen. Hij is tot zijn dood president-schepen en armenmeester van de kerk. Hij. Hij pacht op de grote Stammenhof in Sweikhuizen en vanaf 1727 op de voorhof van kasteel Terborgh.

Juist. Dit klopt met het beeld dat ik me aan het vormen ben over de familie Dederen.

Maar kijk nou: de jongste dochter van Joean en Anne, Ernestine, wil me –geloof ik- een heel ander verhaal vertellen over de relaties tussen de familie Dederen en Anna Raedermeckers.

Zoals ik al eerder schreef, haar peettante is Ernestina de Schellardt van kasteel Terborgh, vanaf 1742 ‘gebiedende vrouwe’ van Schinnen. Deze Ernestina schijnt goed aangeschreven te staan bij de Schinnense bevolking. Zij is degene die zorgt voor het kruis dat nu nog steeds vóór kasteel Terborgh staat met het opschrift: Salvo facias domine Schinnenses’ (Heer, bescherm de inwoners van Schinnen).

Dank ‘Du bess van Sjenne, es…  (Facebookgroep).

Maar die deftige connectie weerhoudt haar petekind ‘Stientje’ er niet van, om heel andere dan de verwachte en misschien wel gewénste relaties aan te knopen..

Want wie zie ik als getuige bij Anna Raedermeckers’ tweede huwelijk met Andreas Callen/Kallen in 1736? Stientje, die dan pas 11 jaar oud is. Zo jong nog, maar dat kón in die tijd, heb ik me laten vertellen. Als je maar de plechtige communie had gedaan.

En in 1745 is ze, samen met de in het dorp zeer hooggeachte schepen Paes Limpens, peetoom en  peettante van de tweede zoon van Anna en Andreas Callen/Kallen.

Dopeling Callen, Stephanus Geboortedatum=<=07-12-1745
Vader van de dopeling Callen, Andreas
Moeder van de dopeling Raedemeckers, Anna
Doopgetuige limpens, Paschasius
Doopgetuige Diederen, Maria Ernestina

Maar Anna Raedermeckers wordt ook door haar teruggevraagd: als getuige bij Stientjes tweede huwelijk in 1756 met Joannes Petrus Martens in Beek.

Zozo.

Anna en Ernestine moeten in ieder geval wél een warme verhouding hebben gehad.

Maar hoe laat zich dat rijmen met mijn eerdere fantasie over de koele verhoudingen met de familie Dederen?

Over deze tegenstrijdigheden en andere een volgende keer meer. Eerst ga ik in de archieven namelijk een aantal opmerkelijke ontdekkingen doen.

Gruwelijke teksten op bordjes.

In juli 2016 huren we een auto en rijden naar Limburg.

Eerst naar ons geboortedorp Schinnen, dat we nu met andere ogen bezien. Ja, ze staan er allemaal nog: de kerk met het originele Romaanse deel, de Dederenhof in Wolfhagen, kasteel Terborgh en hoeve Krekelberg, inmiddels voor een deel camping. We maken daar kennis met Wijnand Vogels, de huidige eigenaar. Hij verbaast zich over het verhaal dat zich hier 300 jaar geleden heeft afgespeeld. We kijken rond in de boerderij, die in de negentiende eeuw is verbouwd, maar er zijn in de stallen nog originele stukken.

We krijgen het telefoonnummer van Frits Schoonbrood. Hij is voorzitter van de Sjtichting Genealogiek Sjènne en dé man die je moet hebben als het over de ‘Bokkenrijders’ gaat. Frits pluist als onderzoeker het (Schinnense) bokkenrijdersverleden tot op de draad uit en neemt voortdurend initiatieven. Hij heeft er mede voor gezorgd dat er in het dorp een Bokkenrijdersroute is: met bordjes waarop een kort verhaaltje over wat zich ter plekke heeft afgespeeld.Bij de uitgang van de begraafplaats lezen we bijvoorbeeld onderstaande gruwelijke tekst.

Op dat moment zijn we ons nog niet bewust van de grote rol, die bovengenoemde Hendrik Witmaeckers straks in mijn verhaal zal gaan spelen.

In Sittard staat de koffie met vla al klaar als we arriveren bij Paul Potten en zijn vrouw. We spreken urenlang over de  fascinerende geschiedenis van ‘onze’ Anna Raedermeckers. Over het opmerkelijke, dat al bekend is en de talloze hiaten, die natuurlijk kunnen worden opgevuld door mijn schrijversfantasie, maar ik wil toch eerst en vooral de feiten leren kennen.

Hoever zijn we?

Nou, we weten een heleboel dingen niet.

We weten geboortedatum noch sterfdatum van Anna.

Hoe en waarom is Jean uit Ville du Bois/Petit Thier in Hombourg terechtgekomen?

Waren Jean en Anna wel getrouwd- heel belangrijk in die tijd. Joeske is gedoopt door de pastoor van Hombourg, daarvan is bewijs.

Wat is de positie geweest van Anne Piron op de Dederenhof en Henri in Puth?

Er is het raadsel van het graf van Jean in de kerk van Schinnen onder de preekstoel.

En de ‘carrièreswitch’ van Anna Raedermeckers, die van arme kansloze moeder echtgenote wordt van Andreas Kallen op Krekelberg, een boerderij met aanzien.

En tenslotte: wat te denken van het gedonder met de eerwaarde heer Joes, wie de vleselijke driften te machtig werden. Plus de schrijnende gevolgen daarvan. (zie mijn vorige blogs)

Paul biedt aan om nog eens uitvoerig op zoek te gaan naar meer gegevens. Immers, zowel uit de archieven als op het internet komt steeds nieuw historisch materiaal.

Er is nóg een interessante bron en dat is de lijst Bewoners van Schinnen uit 1761, die door de hierboven afgebeelde pastoor Hoen, (de opvolger van pastoor Petri en van hoge komaf- vandaar het schilderij), is opgesteld. Daar kun je lezen wie in dat jaar waar woonde en met of naast wie. De lijst staat op het internet:

http://members.home.nl/w.brasse/schinnen_1761.htm

Het is een prachtige lijst. Met namen van driehonderd jaar geleden, die nu nog altijd in het dorp te vinden zijn en opvallend: het zeer beperkte aantal voornamen (het stikt van de Anna’s, Catharina’s, Hendriken en Johannesen).

Er is nog iets dat me opvalt in die lijst: en dat is de situatie op Krekelberg. Pastoor Hoen schrijft dat er daar in 1761 vijf mensen wonen:

1220  Anna Rademeckers                                                 

1221  Carolus Josephus Callen                                          

1222  Henricus Callen        X 1224

1223  Stephanus Callen                                                     

1224  Maria Odilia Harst   X 1222

In dat jaar is Anna’s tweede man Andreas Callen/Kallen twee jaar dood. Zij woont dan dus nog steeds op Krekelberg, met twee zonen uit Andreas’ eerste huwelijk (Carl en Henric), met schoondochter Maria Odilia én met een eigen kind van haar en Andreas: Stephanus.

Van Treesje en Serfke, Anna’s verdoemde kleinkind dat in 1759 werd geboren: geen spoor op Krekelberg! Dat bevestigt mijn eerdere bange vermoedens dat ze haar ‘schoondochter’ en kleinkind niet op ‘haar’ hof heeft opgenomen.

We rijden verder naar het zuiden, naar de Ardennen. We wandelen van Vielsalm naar Ville du Bois en het iets verderop gelegen Petit Thier- de stamplaats van de familie Piron/Petri- en weer terug. Het is een mooi heuvelrijk landschap, het heeft wel iets weg van het zuidelijkste stukje Zuid Limburg.

Het eerste dat we zien als we het dorpje inlopen, is deze auto langs de kant van de weg.

We passeren Blanche Fontaine en de Halleux, waar de familie Piron –blijkens de akten die Paul stuurde- ooit stukjes land bezat, omgeven door bosschages.

Het gehucht zelf bestaat uit een (niet zo oude kerk), enkele verspreid liggende huizen en (verbouwde) boerderijen.

Vandaaruit lopen we via een andere weg terug naar het stadje Vielsalm, langs bermen vol lila wilgenroosjes, geel Johanneskruid, rode vlierbessen, kamperfoelie, schaduwkruiskruid, vogelwikke, sappige bramen en frambozen. We passeren een eeuwenoude eikenboom Rond Chêne. Onder de donkere naaldbomen, plukt een vrouwtje bosbessen. Ze vertelt ons het oude verhaal, dat hier in het bos de heks van de myrtilles (bosbessen) loert op jonge mannen.

We lopen langs het kapelletje van de Mater Dolorosa, de moeder van de zeven smarten en het galgenveld op Thier de la Justice.

En verder gaat het, langs het berkenbosje, het Lac de Doyards met de waterval en dan zijn we weer in Vielsalm met zijn deftige huizen op het grote glooiende marktplein. Een heerlijke wandeling, die Jean en zijn broers en zussen onder heel andere omstandigheden ook menigmaal moeten hebben gemaakt.

Wat zou er door hun hoofden zijn gegaan?

Mamman Isabeau, die vier van haar kinderen zag vertrekken… Heeft ze pastoor Petri vervloekt toen die met het voorstel kwam de kinderen naar Schinnen te halen? Of was ze stiekem opgelucht? Hoe was de verhouding tussen die twee?

“Ach, die was altijd al het lievelingetje van zijn moeder. Die mocht voor priester gaan studeren, maar mijn Léon mocht alleen maar werken werken.”

Zou ze dat gedacht kunnen hebben? Of was ze hem vooral dankbaar. Miste ze haar kinderen? Heeft ze hen opgezocht in Schinnen? Een reis van 60 kilometer in die tijd was zeker niet ongevaarlijk met al dat crapuul langs de wegen.

Was Anne blij dat ze weg kon thuis? Of was ze een echte oudste dochter, zo eentje die teveel verantwoordelijkheid op zich laadt? Hoopte ze dat mamman trots op haar was, dat ze zo’n rijke boer aan de haak had geslagen? En dat ze zo deftig trouwde in Maastricht?

En Lisa dan, over wie we zo weinig weten – stak ze wat bleekjes af tegenover haar daadkrachtige oudste zus? Was ze trots dat ze met Anne mee mocht naar Schinnen?

En Jean, de Hornochs, die op z’n 22ste een meisje van 14 zwanger maakte (wat zijn moeder gelukkig niet meer hoefde mee te maken, want toen was ze net overleden). Wat voor type jongen was hij? Net zo iemand als zijn oom, pastoor Petri in Schinnen? Die stond bekend om zijn eenvoud en zijn grote hart voor armen en familie. Was Jean ook iemand met het nodige inlevingsvermogen? Een natuurliefhebber wellicht? Zou hij net zo hebben genoten van die wandeling als wij?

En Henri, de jongste, die zijn broer en zussen één voor één zag weggaan naar dat dorpje Schinnen, dat in zijn oren een steeds magischer klank  kreeg?

We rijden terug naar huis via Hombourg, bezoeken daar het Romaanse kerkje en fotograferen de doopvont uit 1641, waar kleine Joes nog moet zijn gedoopt.

Op de begraafplaats rond de kerk van Hombourg zien we de graven van een tiental ‘Raedermeckers’. Dat kan dus heel goed kloppen met onze aanname (op dat moment) dat Anna uit Hombourg stamt.

Tegen de kerkmuur staan oude grafkruisen, waarop de ene keer in het Frans, dan weer in het Nederlands of het Duits teksten staan. Ik herinner me te hebben gelezen dat pastoor Petri in het Duits preekte in Schinnen. Ik weet nog dat mijn opa van moederskant (opa Hommert) ook beter Duits dan Nederlands sprak. De noordelijke Ardennen en Zuid Limburg waren tot voor kort blijkbaar een taalkundige smeltkroes.

Maar wat zeg ik: Zuid Limburg bestónd helemaal niet als zodanig in die tijd. Daarover een volgende keer meer.

Leienbrekers, een adellijke peetoom en een horrornacht te Puth.

‘Geachte heer’, schrijf ik op 21 juni 2016 aan Paul Potten, de man die het merkwaardige verhaal over de veel te jonge moeder Anna en haar kindje Joes op internet plaatste. ‘Kunt u me aan meer achtergrondinformatie helpen?’

De volgende dag al krijg ik antwoord: ‘Ik stuur u gegevens over mijn de stamboom Petri, familie aan moederszijde. Ik ben er al meer dan 40 jaar mee bezig en heb heel wat verzameld over deze familie. In mijn archief moeten nog oude aktes zijn over uw Anna. Mocht ik u nog kunnen helpen, laat het me maar weten.’                                                                                                                             

Hartstikke mooi, zo’n enthousiaste reactie van Paul. Hij heeft de familiegeschiedenis Piron/Petri uitgeplozen en recent gepubliceerd. (‘Petri, een naam die veel schrijfwijzen kent’). Ik lees zijn boeiende verhaal over de achtergronden van het gezin Piron/Petri.

Maar eerst even het volgende: Piron is het Waalse woord voor pierre (steen). De pastoor heeft dat, naar de mode van die tijd, ‘vertaald’ in Petri. Dat is afgeleid van de apostel Petrus (‘Gij zijt Petrus en op deze steen zal ik mijn Kerk bouwen.”). Dat deftige verlatijnsen gebeurde wel meer: de naam van de bekende stroopfabriek Canisius van Schinnen is op diezelfde manier terug te voeren op Hundjes (canis = hond). En Timmers/Tummers werd Fabritius.

Hoe zit die familie in elkaar? Nou, het is wat ingewikkeld, maar haak niet af. Aan het einde van dit verhaal staat een kleine stamboom voor lezers die de draad dreigen kwijt te raken.De Pirons wonen in Petit Thier bij Ville du Bois, een gehuchtje in de buurt van Vielsalm, in de tegenwoordige Belgische provincie Luxemburg. Het is een familie van boeren en leienbrekers.Pastoor Petri is een broer van Léon Piron, de vader van Jean (die in 1721 met Anna en Joes naar Schinnen trekt).

Rond 1690 vinden er grote veranderingen plaats in de familie. Terwijl de toekomstige pastoor studeert voor priester op het Jezuïetencollege in Aken, verkoopt zijn broer Léon opeens opvallend veel stukken land.

‘Daar is een verband’, meent Paul Potten. ‘Het priesterschap was duur. Dat kostte de familie een hoop geld. Reken maar 400 gulden, dat waren twee jaarinkomens voor arme mensen.’

Hij stuurt me dit citaat:

Gaston Remacle rapporteert in zijn veelzijdig werk over “Vielsalm et ses Environs/Vielsalm en zijn Omgeving” dat tot aan het Concordaat van 1801 de kerkelijke overheid eiste, dat een kandidaat-priester voor zijn wijding van een bepaald inkomen voorzien moest worden, dat hem een eervolle bestaansmogelijkheid verzekerde, ook wanneer hij geen standplaats voor de uitoefening van zijn pastorale dienst zou hebben.

Na de 30-jarige oorlog, dus na 1648, moest een jaarinkomen van minstens 100-Florijnen gegarandeerd worden, (komt nu overeen met F 140,-per jaar). Later, na 1700, werd dat: 200 Florijnen. Een kerkelijke beambte taxeerde het bezit van de ouders en bepaalde de uiteindelijke som. Er bestaan documenten waaruit blijkt, dat bij armoede de ouders, verwanten of ook wel buren meegeholpen hebben, de titre clerical te vervullen.

Met andere woorden: die priesterstudie doet de familie Piron financieel de das om. Tot overmaat van ramp sterft vader Léon onverwacht en laat hij zijn vrouw Isabeau en zes kinderen berooid achter.

Het overlijden wordt (in het Frans) genoteerd.

De vader van Jean overlijdt in 1708 en laat vrouw en zes kinderen achter (Dank Paul Potten…)

De vader van Jean overlijdt in 1708 en laat vrouw en zes kinderen achter

(Dank Paul Potten…)

Dat is de genadeklap voor mamma Isabeau en haar zes kinderen. De notaris schrijft (in het Duits) dat het gezin ‘in bedrückender Not’ verkeert, als moeder in 1710 weer eens land moet verkopen en zelfs een deel van huis en hof moet verhuren om aan geld en eten te komen.

Pure armoe dus.

Vanaf 1715 is Léons broer pastoor in Schinnen. En vol familiair schuldgevoel over de financiële rampen, die hij met zijn priesterstudie de verwanten heeft aangedaan. Maar hij heeft een oplossing: één voor één haalt hij vier van de zes kinderen van zijn broer uit Ville du Bois naar Schinnen en bezorgt ze daar werk. Anne, Lisa, Jean en Henri laten op jonge leeftijd hun geboorteplek achter zich en gaan naar het 60 km verderop gelegen Schinnen. ‘Heeroom’ is hun hoop voor de toekomst.

Zo gecompliceerd en simpel tegelijk kunnen immigratiegeschiedenissen verlopen.

Hoe is het hun in Schinnen vergaan? Dat ga ik uitzoeken via het materiaal van Paul en de site http://www.allelimburgers.nl/.

Anne Piron is de oudste. (Eigenlijk heet ze Anna, maar om verwarring met Anna Raedermeckers te voorkomen, noem ik haar hier Anne). Ze is 17 jaar als haar vader Léon sterft. Ergens na 1715 is ze naar Schinnen gehaald door heeroom, want ik zie dat ze in 1720 trouwt met de jonge eigenaar van de Dederenhof in het Schinnense gehucht Wolfhagen.

 

Ho, maar wacht eens even. Die Dederenhof in Wolfhagen is niet zomaar een hof, maar een prachtige grote carréboerderij uit het midden van de zeventiende eeuw! Dus Anne, een meisje uit een verarmde familie uit het ‘vreemde’ Wallonië, heeft zich in Schinnen binnen een paar jaar opgewerkt van ‘boerenmeid’ tot vrouw van de hofeigenaar, Joannes Diederen (Joean Dederen in het Limburgs). Een man met aanzien. Zijn peetoom bijvoorbeeld is niemand minder dan Adam de Schellart, adellijke bewoner van ‘huize Schinnen’ oftewel het hieronder afgebeelde  kasteel Terborgh (dat nog een grote rol gaat spelen in mijn verhaal).

  Ach zo. De bewoners van de Dederenhof zijn dus blijkbaar welgesteld.

Hoe heeft Anne Piron dat zo snel voor elkaar gekregen? Móesten ze soms trouwen? Nee hoor, het eerste kind komt keurig tien maanden na de bruiloft ter wereld. Zegt het dan iets over haar karakter? Weet ze van aanpakken? Of heeft ze gewoon haar uiterlijk mee? Ik moet gissen, want foto’s heb ik niet, zelfs geen schilderijen helaas. Arme mensen en schilderijen waren en zijn geen vanzelfsprekende combinatie.

Die bruiloft is trouwens op stand. Ze worden getrouwd in 1720 in het gloednieuwe Tweede Minderbroedersklooster van Maastricht (1708).

Niet door heeroom Petri. Die schrijft dat huwelijk wel keurig te Schinnen in het kerkregister. Maar… waarom trouwt hij zijn nichtje niet? Je zou toch verwachten dat een priester in de familie – en dan zeker een heeroom aan wie Anne nogal wat te danken heeft- zijn nichtje zou trouwen?

Dit zijn van die momenten, waarop ik probeer me -met zoveel mogelijk kennis, inlevingsvermogen én fantasie in te leven in het hoofd van (Limburgse) mensen uit de achttiende-eeuw.

Het eerste dat in me opkomt is: o, dat wilde de schoonfamilie Diederen waarschijnlijk niet. Misschien hadden die al moeite met Joeans keuze voor zo’n statusloos meisje ‘dat niet van hier is’. Met een bruiloft moet je je welstand tonen aan de relaties. En Maastricht geeft nu eenmaal meer status dan Schinnen.

Ja, misschien is het zelfs nog schrijnender: Paul meldt mij dat pastoor Petri een lichamelijke handicap heeft. Tja, en laat jij, als man met aanzien in het dorp, je oudste zoon trouwen door een manke pastoor van arme komaf in een simpel dorpskerkje? Om het maar eens botweg te zeggen.

Trouwnotitie van Joannes Diederen en Anne Piron, geschreven door pastoor Petri (Dank Paul Potten…)

Trouwnotitie van Joannes Diederen en Anne Piron, 

geschreven door pastoor Petri

(Dank Paul Potten…)

Bijna onderaan deze trouwacte lezen we dat een van Annes zussen trouwgetuige is, Elisabetha Piron. ‘Lisa’ is dan net 22 jaar oud. Is zij op dat moment ook op de Dederenhof in betrekking? Grote kans van wel.

Twee van de zes kinderen heb ik nu getraceerd. Over Jean heb ik al een paar dingen verteld. Van twee andere kinderen weten we niets, behalve hun geboortedata.

Maar van de jongste, Hendric Piron/Petri, weten we weer heel veel. ‘Henri’ is ook naar Schinnen gehaald door pastoor Petri. Hij gaat daar werken als pachter op het ‘kerkeland’. De Kerk was grootgrondbezitter en verpachtte land tegen 1/10 (een tiende) van de opbrengst. In de tijd van pastoor Petri waren dat zo’n 1500 hectares.

Henri trouwt in bij de familie Schutgens, die een hof hebben in ‘t sjtröatje (straatje) van Schinnens gehucht Puth. (Dat is waar nu de kerk van Puth staat). Hij neemt na de dood van zijn schoonvader de pacht over en wordt al snel een boer met aanzien.

Blijkbaar weten sommige kinderen Piron van aanpakken. Hieronder de niet meer bestaande boerderij van Henri Petri in Puth; het is de witte rechtsachter. (Dank Paul Potten…)

  Maar, vraag ik me af, is dat nou dezelfde Henri Petri, die in de nacht van 4 op 5 maart 1750 wordt overvallen door ‘bokkenrijders’, een beroemd, nee berucht, uitvoerig beschreven feit met getuigenverklaringen over geweld en dubbelzinnige getuigenverklaringen?

‘Toen Petri met zijn vrouw te bed lag, de deur hoorde opengaan, menende dat het zijne zoon Joannes was welke ’s morgens vroeg met de kar naar de koel (kolenmijn) moest om kolen te halen, riep hij: “Jan, bist du dat?” Waarop vijf mannen binnen stormden.

Op Petri’s hulpkreet “O Heer wat is dat?“ riep een der inbrekers: “Noe zulle veer dich höbbe!” (‘nou nemen we jou te grazen!’) Een korte persoon blauw gekleed met bruin haar, sprong op hun bed en sloeg Petri’s vrouw met eene ijzeren staaf zodanig, dat zij bewusteloos bleef liggen, terwijl de vier andere Petri aangrepen, zijn handen en benen knevelden en eene hunner met een mes herhaalde malen naar zijn hals stak en Petri drie steekwonden in den linker en rechterschouder kreeg. Antoon Hamers van de Windraak, welke hij kende, had intussen hem met zijn haren van het bed afgetrokken en met een ijzeren boom herhaaldelijk zodanig geslagen, dat het zeker de bedoeling was hem te doodden. Hij had het geluk zijn hoofd te kunnen “salveeren” onder het bed, waaraan hij zijn leven te danken had. Daar liggende hield een der bandieten eene brandende kaars aan zijne schamelheid,  hem dwingende te zeggen, waar overal het geld lag. Maar Petri deed alsof hij stervende was.”

(Dank, H. Pijls, De bokkenrijdersbende met de doode hand…).

Dit is maar een fragment van de beschrijving van de levensgevaarlijke nacht die Henri en zijn Marieke moesten meemaken. Ze overleven het gelukkig. En ja, inderdaad, deze Henri is dezelfde als de broer van Jean, Anne en Lisa. ‘De Waal’ noemen ze hem in Schinnen.

Fragment, opgetekend in het Huijs Terborgh 26 maart 1750 door de Schepenbank te Schinnen, verklaring van Henri Petri omtrent de roofoverval op 6 maart 1750, door de Bokkenrijders op zijn boerderij in Puth. Henri Petri tekent met een X omdat hij niet kan schrijven. (Dank Paul Potten…)

Fragment, opgetekend in het Huijs Terborgh 26 maart 1750 door de Schepenbank te Schinnen, verklaring van Henri Petri omtrent de roofoverval op 6 maart 1750, door de Bokkenrijders op zijn boerderij in Puth. Henri Petri tekent met een X omdat hij niet kan schrijven. (Dank Paul Potten…)

Henri, de broer van Jean, Anna’s man, is als slachtoffer van de ‘Bokkenrijdersbende’ terechtgekomen in een van de heftigste historische gebeurtenissen in het Zuid Limburg van de achttiende eeuw. En het kan toch niet anders of ‘mijn’ Anna moet daar op de een of andere manier mee van doen hebben gehad?

Een toevallig ontdekte, persoonlijke geschiedenis verknoopt zich met de grote geschiedenis.

Is het vreemd dat ik nu alles wil weten? Vriendinnen en vrienden zijn net zo enthousiast als ik en stimuleren me om verder op onderzoek uit te gaan. Niet alleen omdat hier een prachtig verhaal in zit. Maar ook omdat we zo verdomd weinig weten van onze zo interessante historie.

Eerst willen Marlies en ik de geboortestreek van de kinderen Piron/Petri zelf aan den lijve voelen. We gaan naar de Ardennen, eens kijken hoe het eruit ziet in Ville du Bois en Petit Thieren Hombourg. En op de heenweg gaan we dan maar meteen in Sittard langs Paul Potten om eens een paar uur te ‘kallen’ over ons Enke. (Limburgs voor Anneke).

Léonard Piron (1667 – 1708) en Johannes Piron ( 1672 -1749) waren broers in Ville du Bois/ Petit Thier.

Johannes Piron (Petri) –(heeroom Joes Petri)- werd in 1715 pastoor in Schinnen. Léonard trouwde met Isabeau Colla. Ze kregen zes kinderen, van wie deze vier:

                         Léonard Piron (1667 – 1708)         x        Isabeau  Colla

                                                                                  I

  1.                     Anne Piron     x   Joannes (Joean) Diederen
  2.                                   Jean Piron      x    Anna Raedermeckers   

                                                                                              I

                                                                                   Joes Piron    en   Theresia (Treesje) De Bruyn

                                                                                                          I

                                                                                              Severinus (Serfke) De Bruyn

  1.                                            Elizabeth (Lisa) Piron
  2.                          Henri Piron/Petri        x      Marieke Schutgens